Inspiratieblog: coöperatieve werkvormen met kleuters

Linda Mooijekind is leerkracht op RKBS De Klimboom in Roelofarendsveen en ambassadeur bij Kleuteruniversiteit. Zij maakt in haar groep veelvuldig gebruik van coöperatieve werkvormen. In dit blog licht ze er een aantal toe.

Op mijn school wordt in iedere groep frequent gebruik gemaakt van coöperatieve werkvormen. Deze werkvormen zorgen voor een hoge betrokkenheid en hoog leerrendement, vanwege de actieve deelname aan de activiteiten. In de bovenbouw zijn deze werkvormen gemakkelijker in te zetten, omdat er bij veel van deze werkvormen moet worden geschreven. Ik was dus op zoek naar coöperatieve werkvormen die ook voor jonge kinderen geschikt zijn. Mijn bevindingen deel ik graag met je in deze blog. Ik leg je eerst uit door middel van een stappenplan hoe de werkvorm in zijn werk gaat. Vervolgens vertel ik je hoe ik deze werkvorm in mijn klas inzet.

Hoeken

  • Geef een opdracht en bedenktijd.
  • Noteer het antwoord.
  • Ga naar de goede hoek.
  • Maak tweetallen.
  • Bespreek het antwoord: A luistert naar B, B luistert naar A.
  • Bedank elkaar voor het gesprek.

De uitwerking:

Vooraf bespreek ik wat klankgroepen zijn en laat ik een kind dit voordoen. De andere kinderen doen hem na. Daarna leg ik uit wat de werkvorm ‘hoeken’ is. Ik vraag de kinderen of ze iets nieuws in de klas kunnen ontdekken. De kinderen kunnen me direct vertellen dat dit de cijfers 1 t/m 4 zijn. Ik vertel hen dat ik een woord ga opnoemen en dat zij moeten nagaan in hun hoofd (of door het woord te klappen) uit hoeveel lettergrepen het woord bestaat. Weten ze het aantal klankgroepen te benoemen? Dan lopen ze naar het juiste cijfer. Vervolgens vormen ze tweetallen met het dichtstbijzijnde kind. Ze moeten aan elkaar dan nog een woord opnoemen met hetzelfde aantal lettergrepen. Dit mag elk woord zijn.

Een ander voorbeeld bij deze werkvorm is: uit hoeveel woorden bestaat een zin? En als ze dan bij de juiste hoek staan, vraag ze dan zelf een zin te bedenken met zoveel woorden. Voor kinderen die eraan toe zijn, zou je ook een aantal letters op kunnen hangen. Noem als leerkracht een woord en stel je daarbij de vraag: welke letter hoor je vooraan? Vervolgens gaan ze bij de juiste letter staan en geef je de kinderen de opdracht om zelf een woord te bedenken met deze letter.

Vraag en ruil

  • Loop rond met je hand omhoog.
  • Als je elkaar tegenkomt, geef je elkaar een high five.
  • A stelt B een vraag, B geeft antwoord en A controleert.
  • B stelt A een vraag, A geeft antwoord en B controleert.
  • Ruilen van kaartje en elkaar bedanken.
  • Bovenstaande stappen worden opnieuw uitgevoerd.

Deze werkvorm gebruik ik bij het oefenen van de woordenschat. Bij het uitdelen van de kaartjes benoem ik zelf nog een keer het woord, zodat ieder kind in ieder geval weet welk woord hij op het kaartje heeft staan. Kind A vraagt aan kind B: ‘Wat staat er op mijn kaartje?’. Kind B geeft antwoord en kind A zegt of het goed is of verbetert. Nadat kind A aan kind B heeft gevraagd en kind B aan kind A, ruilen ze van kaartjes, bedanken ze elkaar en gaan ze op zoek naar een ander kind.

Wie/ wat ben ik?

  • Iedereen heeft een naam of woord op zijn rug (gebruik een Post-it of plak het met plakband op).
  • Loop door de klas met je hand omhoog.
  • Als je elkaar tegen komt geef je elkaar een high five.
  • Je kijkt wat de ander op zijn rug heeft.
  • Ga er over in gesprek: je mag 2 vragen per keer stellen; stel alleen gesloten vragen (antwoord met ja of nee, GEEN hints); vertel wat je allemaal al weet.
  • Bedank elkaar.
  • Bovenstaande stappen worden opnieuw uitgevoerd.

Ik heb deze activiteit gedaan met de woordkaarten uit het Kleuteruniversiteit project ‘De bakker’. Ik vond het best spannend om deze werkvorm aan te bieden, omdat ik bang was dat kleuters onvoldoende goede vragen konden stellen om tot het antwoord te komen, maar alleen maar directe vragen zouden stellen: ‘Ben ik een boterham?’, of ‘Ben ik een schort?’. En ik was dan helemaal bang dat de ander zou reageren met: ‘Nee, je bent geen boterham, maar een beschuitje!’. Daarom hebben we het stellen van goede vragen eerst met de hele groep geoefend. Pas daarna heb ik deze werkvorm geïntroduceerd en het viel me op dat ze dit eigenlijk al best goed onder de knie hadden! Dat kwam ook zeker door het oefenen met de vraagstelling. Een mooie werkvorm die de woordenschat stimuleert en die ik zeker vaker toe zal passen.

Rondpraat

  • Luister in je groepje naar de opdracht.
  • Neem bedenktijd.
  • Kies wie er begint (of de juf/meester wijst aan).
  • Geef om de beurt antwoord, luister naar de ander.

Tweepraat

  • Je krijgt een vraag waar meerdere antwoorden op mogelijk zijn.
  • Gebruik denktijd.
  • Noem in een tweetal om de beurt een antwoord of oplossing.

Bij de uitvoering van een project gebruik ik vaak een praatplaat. Ik laat de kinderen er eerst naar kijken en ze zoveel mogelijk laten benoemen wat ze allemaal zien. Dat mogen dan nog allemaal losse woorden zijn. Vervolgens zetten we tweepraat in en vertellen we om de beurt aan elkaar wat we gezien hebben. Daarna maak ik groepen en starten we de rondpraat met als opdracht: zinnen maken. Om beurten maken de kinderen een zin over de plaat. Voor de jongsten geef ik dan de tip dat ze een zin kunnen beginnen met ‘ik zie…’. Van de oudsten verwacht ik meer iets als: ‘de kinderen maken een sneeuwpop’. De andere kinderen van het groepje kijken en luisteren mee en daarna is het volgende kind aan de beurt.

De werkvorm rondpraat voer ik vaak voorafgaand aan de volgende werkvorm uit:

Denken – plakken (groep 1) en denken – tekenen (groep 2)

  • Werk in tweetallen: kind A is de denker, kind B de plakker/ schrijver.
  • Eén blad, één lijm/ pen.
  • Denker: lost stap voor stap de opdracht op.
  • Plakker/ schrijver: plakt/ noteert stap voor stap wat de denker zegt.
  • Plakker/ schrijver complimenteert de denker.
  • De kinderen wisselen van rol.

De opdracht: maak een woordveld van (in dit geval:) het thema winter.

Denken – plakken

Alle kinderen uit groep 1 heb ik in tweetallen verdeeld, waarbij ik sterke en wat zwakkere kinderen aan elkaar gekoppeld heb. Elk tweetal krijgt een wit vel papier met het woord ‘winter’ en een bakje met plaatjes uit de verschillende seizoenen. Vervolgens moeten ze de afbeeldingen uit het bakje halen en voor zich neerleggen. Kind A vertelt welk plaatje bij thema winter hoort. Kind B plakt dit plaatje dan op. Als kind B het plaatje heeft opgeplakt, vertelt hij welke van de plaatjes bij het thema past. Nu kreeg kind A de beurt om het plaatje op te plakken.

Denken – tekenen werkt op dezelfde manier als denken – plakken en voer ik uit met de kinderen van groep 2 (en kinderen die er al aan toe zijn) De kinderen laat ik dan zelf de woorden tekenen of schrijven.

De kinderen stoppen op het moment dat de timer is afgelopen en we sluiten de activiteit als volgt af: Alle kinderen nemen weer plaats in de kring met hun woordveld. Ze krijgen nog even denktijd om naar hun woordveld te kijken en een woord daarvan in gedachten te nemen. Vervolgens krijgen alle kinderen een beurt om een woord te noemen van hun woordveld.

Mix en ruil; tweepraat en tweetal-coach

Mix en ruil

  • Loop rond met je hand omhoog.
  • Als je elkaar tegenkomt, geef je elkaar een high five.
  • A vertelt B wat er op zijn kaartje staat, B vertelt A wat er op zijn kaartje staat.
  • Ruilen van kaartje en elkaar bedanken.
  • Bovenstaande stappen worden opnieuw uitgevoerd.

Tweetal coach

  • Je werkt in tweetallen (als je pen en papier gebruikt: 1 pen, 1 papier).
  • A maakt 1 opdracht en B coacht (coachen = antwoord checken, als het nodig is een tip geven maar niet het antwoord geven).
  • Bij gebruik van pen en papier: nadat B gecoacht heeft krijgt hij pen en papier.
  • B maakt 1 opdracht en A coacht.
  • Bovenstaande stappen worden opnieuw uitgevoerd.

Bij het aanbieden van een letter doe ik bijvoorbeeld het volgende: eerst zorg ik voor letterkaarten (te vinden op internet) en spelen we het spel mix en ruil. Op deze manier hebben de kinderen al veel woorden met die letter gehoord. Daarna voer ik de werkvorm tweepraat uit en benoemen de kinderen om beurten een woord met deze letter naar elkaar. Soms bied ik daarna nog een werkblad aan met allerlei woorden waar deze letter in zit en geef ik ze de opdracht het blad door middel van tweetal coach moeten maken: kind A heeft een potlood en het blad en zoekt in een woord de aangeboden letter op. Kind B controleert of het goed is. Is dat zo, dan wisselen ze van rol: kind B krijgt het potlood en het blad en kind A controleert. Als het niet goed is, coacht de ander (zonder blad) door bijvoorbeeld te zeggen: ‘dat is niet de juiste letter, kijk nog eens goed.’. Daarna kan er alsnog van rol worden gewisseld. Drie verschillende coöperatieve werkvormen bij één activiteit!

Kinderen leren veel van én met elkaar. Dat zie ik door het gebruik van deze werkvormen zeker terug: een hoge betrokkenheid, actieve leerhouding en behulpzaamheid. Doordat deze werkvormen bij ons op school heel gebruikelijk zijn, hoef je op een gegeven moment alleen de naam van de werkvorm maar te noemen en de kinderen weten precies wat er van ze verwacht wordt, ongeacht in welke groep ze zitten.

Ik hoop dat ik je door middel van deze blog heb kunnen inspireren. Mocht je zelf nog leuke ideeën hebben, schroom dat niet deze te delen in de groep ‘Vrienden van Kleuteruniversiteit‘, zodat we elkaar dan weer kunnen inspireren. Samen maken we het onderwijs mooier!

Deel dit bericht: